
“Nog één zeepbel!” smeekte Pigúiça, voor de vijfde keer. Of misschien voor de zesde. Ze was de tel allang kwijt, en Fofuxo ook.
Ze waren al sinds de middag in het bloemenveld om zeepbellen te blazen. Er waren kleine bellen, middelgrote bellen en één bel die zo groot was dat Nina, de poedel, zwoer dat ze er een wolk in zichzelf had zien kijken.
Maar nu zakte de zon al achter de heuvel, en in het dorp gingen de lichtjes achter de ramen één voor één aan. Het was tijd om naar huis te gaan.
“Ik ben helemaal niet moe,” zei Pigúiça, en ze gaapte zo groot dat ze bijna een zeepbel inslikte. Fofuxo deed alsof hij het niet zag.
“Goed hoor,” zei hij, en hij ging in het gras zitten. “Maar wist je dat zeepbellen ook gaan slapen?” “Zeepbellen slapen niet,” zei ze wantrouwig. “Wel waar. Kijk maar.”
Pigúiça keek. De bellen die nog zweefden, zakten langzaam naar beneden, steeds langzamer, tot ze op de bloemen landden. En de bloemen vouwden heel voorzichtig hun blaadjes om ze heen, zoals je een dekentje over iemand heen legt.
“Zie je?” fluisterde Fofuxo. “Ze hebben de hele dag gespeeld. Nu rusten ze uit, zodat ze morgen weer mooi rond zijn.”
Pigúiça dacht na. Zij had ook de hele dag gespeeld. Haar pootjes voelden zwaar, en haar staart kwispelde bijna niet meer. “Maar wat als het spelen morgen minder leuk is?” vroeg ze.
Fofuxo pakte het potje zeepsop en blies nog één laatste bel, heel langzaam. “Laten we een bewaarbel maken,” zei hij. “Jij vertelt hem alles wat je morgen wilt spelen. En hij bewaart het voor je.”
Pigúiça kwam heel dicht bij de bel en fluisterde: “Morgen wil ik een zeepbel maken zo groot als een huis. En rennen met Nina. En de steen vinden die het mooiste liedje zingt.”
De bel glansde, helemaal vol plannen, en landde op een madeliefje, dat zich heel voorzichtig om hem heen sloot. “Zo,” zei Fofuxo. “Het is bewaard. Morgen krijg je het terug.”
Toen liet Pigúiça zich door Fofuxo op zijn rug naar huis dragen. Onderweg probeerde ze nog te tellen hoeveel ramen er in het dorp verlicht waren. Eén, twee, drie... en ze was de tel weer kwijt.
Toen ze bij haar mandje kwamen, was ze zo slap als een zeepbel die net geland is. Fofuxo legde het dekentje over haar heen, en ze slaakte een hele ronde zucht.
Buiten in het veld wiegden de bloemen zachtjes heen en weer en pasten ze op de zeepbellen en de plannen. En Pigúiça sliep, en droomde van morgen, dat heel vroeg al zou komen.
