
Pigúiça was vies. Heel erg vies. Ze had modder op haar snuit, modder aan haar poten, modder aan haar staart en zelfs een beetje modder in haar oor.
“Tijd voor het bad,” zei Fofuxo.
“Welk bad?” zei Pigúiça, en ze knipperde met haar ogen. “Ik ben hartstikke schoon.” En er viel een klodder modder van haar kin, plof, precies voor de poten van Fofuxo.
Fofuxo hield zijn lach in. “Hartstikke schoon, hè?”
“In bad gaan is saai,” zei Pigúiça, en ze verstopte zich achter een struik. “Water is nat. Zeep prikt in je ogen. En je moet stilzitten. En daarna ruik ik naar zeep, en niet naar hond!”
Fofuxo dacht even na. Toen zei hij: “Goed dan. Vandaag geen bad. Vandaag steken we het meer over.”
De kop van Pigúiça kwam achter de struik vandaan. “Oversteken?”
In het meer in het bos lag een rij ronde stenen, de ene na de andere, helemaal tot aan de overkant. Als iemand erop sprong, zong elke steen een andere noot. Do. Re. Mi.
Pigúiça sprong op de eerste. Do! Ze sprong op de tweede. Re! Ze sprong op de derde. Mi! De vierde zong zo hoog dat het net een vogeltje leek. Het water spatte tegen haar poten, en de modder ging eraf zonder dat ze het merkte. Op de vijfde steen gleed ze een beetje uit en, plons, haar hele buik werd nat. Maar in plaats van te mopperen, moest ze lachen.
Midden in het meer was het water ondiep en warm van de zon. Daar groeiden ronde bloemen die, als je dichtbij kwam, belletjes geurig schuim loslieten. Pigúiça rolde door het schuim. Fofuxo boende heel zachtjes met zijn poot over haar rug en maakte een hoedje van schuim op haar kop.
“Kijk, Fofuxo! Ik ben een verjaardagstaart!”
Aan de overkant schudde Pigúiça zich helemaal uit, brrrrr, en het water spatte alle kanten op. Haar vacht was weer wit en grijs, zacht, en rook naar bloemen. Ze gingen samen op een warme steen liggen om op te drogen, terwijl de zon achter de bomen zakte.
“Fofuxo,” zei Pigúiça, met een slaperig stemmetje. “Steken we morgen weer over?”
“Zeker,” zei hij. “Elke keer als er modder is.”
Die avond rolde Pigúiça zich op in haar mandje, zo zacht als een wolk. Ze snuffelde aan haar eigen poot: bloemengeur. Buiten zongen de stenen in het meer nog steeds, steeds zachter. Ze gaapte één keer. Ze gaapte twee keer. En ze sliep, echt schoon deze keer.
