
Bzzzz. Een klein bijtje zoemde langs het raam, precies op het moment dat Fofuxo vroeg: “Pigúiça, heb jij mijn lievelingsbot gezien? Dat lange, met dat kromme puntje?”
Pigúiça had het wel gezien. Sterker nog, ze had het bot gepakt om mee te spelen, het ergens in de tuin begraven en daarna helemaal vergeten waar. Maar ze schaamde zich om het te zeggen.
Dus keek ze naar het bijtje en zei, heel snel: “Het was een bij! Een bij heeft het meegenomen!”
Fofuxo trok één wenkbrauw op. Een bij? Die een bot zo groot als een flinke tak meesleepte? Maar hij zei er niets van. Hij zei alleen: “Goh. Laten we dan maar op de open plek gaan zoeken.”
Samen liepen ze door het bos. Pigúiça was heel stil. Het leugentje zat vanbinnen, zwaar als een steen in je broekzak. Als puppy’s tenminste broekzakken hadden.
Op de open plek gebeurde er iets onverwachts. Er vloog een bij voorbij die een botje droeg! Een piepklein botje, zo groot als een rijstkorrel, maar het was echt een botje. Fofuxo en Pigúiça keken met open mond.
“Daar heb je de dief!” riep een puppy die in de buurt was. “Pak die bij!” riep een ander. En de arme bij vloog geschrokken heen en weer.
Pigúiça voelde haar buik samenknijpen. Die bij had niets gedaan. Ze bracht alleen haar eigen botje naar huis. En nu dacht iedereen dat ze een botdief was, allemaal door één leugentje.
“Stop!” zei Pigúiça. Iedereen stopte. Ze haalde diep adem en keek naar Fofuxo. “Het was de bij niet. Ik was het. Ik heb jouw bot gepakt, in de tuin begraven en vergeten waar. Sorry, Fofuxo.”
Fofuxo boog zijn kop tot hij net zo hoog was als zij. “Dank je dat je het me vertelt,” zei hij. “Weet je wat makkelijker te vinden is dan een verloren bot? Een verloren bot dat je samen zoekt.”
Het bijtje vloog een rondje boven Pigúiça, zzz, alsof ze dank je wel zei, en zoemde weg met haar eigen botje.
Ze gingen naar huis en groeven de hele tuin om. De bloemen hielpen mee. “Koud!” zei er een. “Lauw!” zei een ander. “Gloeiend heet!” riep het madeliefje in de hoek. En daar lag het bot, met het kromme puntje, helemaal onder de aarde.
Die avond voelde Pigúiça zich licht, heel licht. De onzichtbare steen was weg. Ze rolde zich op in haar mandje, met haar snuit die nog naar tuinaarde rook.
Buiten sliep het bijtje ook, in de korf, met haar botje naast zich. En Pigúiça deed langzaam haar ogen dicht, heel tevreden, en sliep tot de ochtend.
