
Op Dogavios, als de roze lucht langzaam paars wordt, doen de bloemen hun blaadjes dicht en fluisteren ze heel zachtjes “welterusten”. Dat was het moment dat Pigúiça het minst leuk vond.
Ze was een huskypuppy met blauwe ogen, en dapper was ze bijna altijd. Ze klom op hoge stenen, sprong over enorme plassen en snuffelde zonder angst aan kevers. Maar het donker... het donker was iets anders.
Die avond, net toen het licht in het huisje uitging, zag Pigúiça een lange schaduw op de muur. Hij had dunne armen met heel veel vingers. “Fofuxo!” riep ze. “Er zit hier een monster met honderd vingers!”
Fofuxo verscheen in de deuropening, groot en goudkleurig, zijn vacht nog helemaal plat van het slapen. Hij keek naar de muur, keek naar het raam en glimlachte. “Zullen we samen naar buiten gaan en dat monster eens van dichtbij bekijken?”
Pigúiça sperde haar ogen wijd open. Naar buiten? In het donker? Maar Fofuxo stak zijn poot uit, en die poot was warm en zacht. Ze haalde diep adem en ging mee, heel dicht tegen hem aan.
Buiten bleek het monster met de honderd vingers gewoon de tak van de boom in de tuin te zijn, die heen en weer wiegde in de wind. “O,” zei Pigúiça. “Jij bent gewoon een tak.” De tak kraakte krie, krie, alsof hij sorry zei.
Ze liepen nog een stukje verder, naar de open plek in het bos. En toen bleef Pigúiça ineens staan. Midden in het donker ging een lichtje aan. Toen nog een. Toen tien. Toen zoveel dat ze niet meer kon tellen.
“Vuurvliegjes!” fluisterde Fofuxo. “Die komen alleen als het echt donker is. Als de wereld de hele nacht verlicht bleef, zouden we dit feestje nooit zien.”
Pigúiça ging in het gras zitten en keek. De vuurvliegjes dansten op en neer en knipperden langzaam, als sterretjes die besloten hadden wat dichter bij de grond te wonen. De stenen op de open plek zongen een zacht liedje, bijna een gefluister.
“Dus het donker is niet alleen maar donker,” zei ze. “Het is de plek waar de lichtjes spelen.” Fofuxo knikte en ging naast haar liggen.
Een vuurvliegje kwam precies op het puntje van Pigúiça’s snuit zitten. Ze keek er zo lang naar dat ze er scheel van ging kijken, en Fofuxo en zij moesten zo zachtjes lachen dat de bloemen niet eens wakker werden.
Toen ze weer thuis waren, stond de schaduw van de tak nog steeds op de muur. Maar nu wist Pigúiça wie het was. “Welterusten, tak,” zei ze. En buiten bleven de vuurvliegjes knipperen.
Ze rolde zich op in haar mandje, stopte haar snuit onder haar pluizige staart en gaapte een hele lange gaap. Knipper, knipper, deden de lichtjes. Haar blauwe ogen knipperden ook. Eén keer. Twee keer. En toen bleven ze dicht.
Misschien speelt er vlak bij jouw raam nu ook wel een vuurvliegje. Laat hem maar lekker stralen, en doe jij je oogjes ook maar dicht.
