
De dozen stonden allemaal opgestapeld bij de deur.
In de ene zat het dekentje van Pigúiça. In een andere haar rode bal en haar waterbak. En in de allerkleinste zat een dennenappel die ze had gevonden op de eerste sneeuwdag.
Het was verhuisdag. Pigúiça ging in een nieuw huisje wonen, aan de andere kant van de heuvel. Maar ze zat midden in haar oude huisje en had helemaal geen zin om weg te gaan.
“Ik wil niet weg,” zei ze tegen Fofuxo, die was komen helpen. “Hier is mijn raam. Daardoor zie ik de maan. En wat als er bij het nieuwe huis geen maan is?”
Fofuxo dacht even na. “Weet je wat we doen? We nemen je huis gewoon mee.”
“Je kunt toch geen huis meenemen, Fofuxo!”
“Jawel,” zei hij. “Een huis is gemaakt van jouw spulletjes. Van je dekentje. Van je bal. Van jouw geur. Dat past allemaal in de dozen.”
Dus klommen ze met de dozen de heuvel op. Pigúiça liep voorop, met de dennenappel heel voorzichtig in haar bek.
Het nieuwe huisje had een rieten dak en een boog van rozen bij de ingang. Toen Pigúiça eronderdoor liep, wiegden de rozen heen en weer en riepen ze allemaal tegelijk: “Welkom!” Ze schrok een klein beetje, en toen moest ze erom lachen.
Binnen rook alles nieuw. De vloer kraakte anders. Pigúiça legde de bal in de ene hoek, de waterbak in de andere en de dennenappel precies in de vensterbank. Toen spreidde ze haar dekentje uit en rolde erover, heen en weer, tot het naar haar rook. En toen rende ze door de open deur naar buiten om de tuin te ontdekken.
Er was een moestuin, een steen die zachtjes zong en een kuil die perfect was om botten in te verstoppen. En vanaf de top van de heuvel kon je het oude huisje zien, piepklein daar beneden.
“Het staat er nog,” zei Pigúiça. “Mag ik er op bezoek?”
“Zo vaak als je maar wilt,” zei Fofuxo.
Toen het nacht werd, ging Pigúiça op het dekentje liggen dat naar thuis rook. Ze keek door het nieuwe raam, een beetje wantrouwig. En daar was ze, rond en wit, gluurend over de rozen: de maan. Dezelfde maan als altijd, die gewoon mee was verhuisd.
Pigúiça zuchtte tevreden. Ze zei welterusten tegen de maan, welterusten tegen de dennenappel, welterusten tegen het nieuwe huisje. En ze viel in slaap in haar nieuwe huis, alsof ze er altijd al had gewoond.
