
Het nieuwe mandje van Pigúiça was blauw als haar ogen, zacht als een wolk en had een kussen in de vorm van een bot. Het was het mooiste mandje van heel Dogavios. En het was altijd leeg.
Want elke avond, precies als het bedtijd was, pakte Pigúiça haar botkussen en sloop ze op haar tenen naar de mand van Fofuxo. Ze klom erin, draaide drie rondjes en rolde zich op tegen zijn buik.
Fofuxo hield heel veel van haar. Maar Pigúiça schopte in haar slaap. Ze schopte tegen zijn oor, tegen zijn snuit, tegen zijn staart. Op een nacht droomde ze dat ze achter een vlinder aan rende, en duwde ze Fofuxo zo uit de mand.
“Pigúiça,” zei hij de volgende ochtend, met een oor dat helemaal verkeerd om zat. “Ik denk dat het tijd wordt om je eigen mandje eens te proberen.” “Maar daar ben ik helemaal alleen,” zei ze zachtjes.
Die avond gingen ze samen naar het veld bij de boom met de lichtjes. De lucht zat vol sterren. Ineens schoot er een vallende ster langs, zoeoeoem, met een glinsterend spoor erachter.
“Doe een wens!” zei Fofuxo. Pigúiça kneep haar ogen stijf dicht. “Ik wil me niet alleen voelen in mijn eigen mandje,” wenste ze.
Op de terugweg kreeg Fofuxo een idee. Hij hielp Pigúiça het blauwe mandje naar het raam te schuiven. Van daaruit kon ze de hele lucht zien, en ook de deur van zijn kamer, vlak aan de overkant.
Toen pakte hij een glad steentje uit de tuin, zo eentje dat zachtjes zingt, en legde het naast het botkussen. “Dit steentje zingt de hele nacht,” zei hij. “En als je drie keer op de muur klopt, klop ik drie keer terug.”
Pigúiça ging liggen. Het mandje was echt heel zacht. Het steentje zong hmmm, hmmm, heel langzaam. Door het raam knipoogden de sterren, en een lachende wolk dreef voorbij en zwaaide gedag.
Toch wilde ze het even testen. Klop, klop, klop, deed ze op de muur. En van de andere kant kwam het antwoord: klop, klop, klop. Pigúiça glimlachte in het donker. Hij was er gewoon. Heel dichtbij. Alleen in zijn eigen mand.
Ze keek naar de lucht en wachtte op nog een vallende ster. Ze wachtte een poosje. En nog een poosje. Haar ogen werden zwaar, en het steentje bleef maar zingen.
Toen merkte ze iets: haar wens was uitgekomen. Ze lag in haar eigen mandje en voelde zich helemaal niet alleen. Ze had de sterren, het steentje, het raam en het klop, klop, klop aan de andere kant van de muur.
Pigúiça knuffelde haar botkussen, strekte haar pootjes zonder iemand te schoppen en gaapte een hele lange gaap.
En ze sliep de hele nacht, lekker warm, in haar blauwe mandje. Aan de andere kant van de muur sliep Fofuxo ook, met allebei zijn oren weer netjes op hun plek.
