
Tik, tak, tik, tak. De klok in de kamer leek die avond op slakkenpootjes te lopen. Het was kerstavond op Dogavios, en Pigúiça kon niet slapen.
Ze had zich al naar rechts gedraaid. Naar links. Twee keer tot honderd geteld. Niets. Haar blauwe ogen stonden nog steeds wijd open, als twee kleine maantjes.
Want vannacht kwam de Kerstman langs Dogavios. En Pigúiça wilde zijn slee zo, zo, zó graag zien.
Ze liep op haar tenen naar de kamer van Fofuxo. “Fofuxo, ben je wakker?” Hij deed één gouden oog open. “Nu wel,” zei hij gapend. “Wat is er, Pigúiça?”
“Kerst duurt veel te lang,” klaagde ze. “Ik wil dat het nú morgen is.” Fofuxo lachte zachtjes. “Morgen komt pas als wij slapen. Zo werkt dat nou eenmaal.”
“Dan blijf ik wakker tot hij er is,” zei Pigúiça. “En dan zie ik de Kerstman!” Fofuxo dacht even na. Toen stond hij op, pakte de geruite deken en zei: “Afgesproken. Maar dan wachten we op de goede manier.”
Samen liepen ze naar het raam in de kamer. Fofuxo spreidde de deken op de vloer uit, lekker zacht, en Pigúiça ging naast hem liggen. Buiten was de roze lucht donkerroze geworden, vol sterren.
“Wachten is ook een klusje,” legde Fofuxo uit. “Eerst tellen we de sterren die knipperen.” Dat deden ze. Pigúiça kwam tot twaalf en raakte de tel kwijt, omdat ze zelf bleef meeknipperen.
“Daarna luisteren we.” Dat deden ze ook. De stenen in de tuin zongen een heel zacht hmmm. Een lachende wolk dreef langzaam voorbij en wenste hen welterusten.
“En als derde,” zei Fofuxo, “laten we het wachten zwaar en fijn worden, als een deken.” Pigúiça begreep het niet helemaal. Maar ze legde haar kop tegen zijn warme buik, gewoon om het te proberen.
Fofuxo’s buik ging op en neer, langzaam. Op. Neer. Het was alsof je wachtte op een heel klein golfje.
“Fofuxo,” fluisterde Pigúiça, “wat als de Kerstman komt en mijn ogen dicht zijn?” “Dan weet hij dat je heel lang hebt gewacht,” zei Fofuxo. “En dan legt hij je cadeautje er met een extra knuffel neer.”
Pigúiça glimlachte. Haar oogleden werden zwaar. Ze keek naar een ster. Toen naar nog een. Toen naar één wazig lichtje.
Ver weg, heel ver weg, rinkelde iets. Ting-tong, ting-tong, belletjes. Of was het toch een zingende steen? Pigúiça wist het niet meer.
Ze glimlachte met gesloten ogen, opgerold in de deken, en wachtte op Kerst op de allerfijnste manier die er bestaat: slapend.
