Je doet het licht uit, geeft de nachtzoen, en drie seconden later klinkt de roep. Er zit iets in de kast. Heb je al geprobeerd uit te leggen dat monsters niet bestaan en zag je dat helemaal niets uithalen? Dat komt omdat angst voor het donker bij kinderen geen logisch probleem is. Het is een veiligheidsprobleem, en zo moet je het ook behandelen.
Waarom deze angst ontstaat
Hij duikt meestal op tussen twee en zes jaar, en het is een normale ontwikkelingsfase, geen zwakte. In deze periode explodeert de fantasie, terwijl het vermogen om echt van verbeeld te onderscheiden nog in aanbouw is. In het donker mist het brein de visuele aanwijzingen die bevestigen dat de kamer onveranderd is, en de fantasie vult dat gat op. Daarom werkt discussiëren over of het monster wel bestaat nooit: voor je kind is de angst echt, ook al is het monster dat niet.
Wat je vanavond kunt doen
- Erken eerst, los daarna op: begin met ik weet dat je bang bent, en ik ben hier vlakbij. Het gevoel ontkennen laat een kind er alleen mee achter.
- Gebruik warm, gedimd licht: een amber of roodachtig nachtlampje verstoort de slaap veel minder dan wit of blauwachtig licht. Houd het uit hun gezicht.
- Laat de deur op een kier: het huis horen is een constante herinnering dat ze niet alleen zijn.
- Doe samen de ronde: loop de kamer door, open de kast, kijk onder het bed. Doe dit rustig en vanzelfsprekend, nooit als een jacht, zodat je het idee van gevaar niet juist versterkt.
- Geef een moedmakend hulpmiddel mee: een klein zaklampje naast het bed, een beschermend knuffeldier, een waterspray met een druppel lavendel omgedoopt tot moedspray. Voorwerpen geven een kind het gevoel van controle terug.
