Een raadsel is het speelgoed dat niets weegt: het werkt in de auto, in de rij, aan tafel en als het internet eruit ligt. En achter de lol zit zware training: denken "wat heeft een kroon maar is geen koning" is redeneren via analogie, dezelfde vaardigheid die rekenen en lezen vragen.
Makkelijk (3 tot 5 jaar)
- Heeft vier poten, zegt woef woef en is de beste vriend van de mens? De hond.
- Hij is geel, hij is krom en de aap is er dol op? De banaan.
- Verschijnt 's nachts aan de hemel en verandert elke week van vorm? De maan.
- Heeft tanden maar bijt niet? De kam.
- Valt staand en rent liggend? De regen.
Middel (6 tot 8 jaar)
- Hoe meer je eruit haalt, hoe groter het wordt? Het gat.
- Wat staat altijd voor je maar kun je nooit zien? De toekomst.
- Heeft steden maar geen huizen, rivieren maar geen water? De kaart.
- Wat is overdag vol en 's nachts leeg? De schoen.
- Wat vult een hele kamer maar past in een hand? Het licht.
Lastig (om de volwassenen uit te dagen)
- Hoe zwaarder het wordt, hoe hoger het vliegt? De vlieger in de wind.
- Wat breekt elke keer als je de naam ervan zegt? De stilte.
- Wat komt altijd morgen en arriveert nooit? Morgen zelf.
- Wat loopt de hele dag en verzet geen stap? De klok.
- Wat heeft een bedding maar slaapt nooit? De rivier.
Zo wordt het leuker
Geef nooit meteen het antwoord. Geef een hint, dan nog een, dan nog een. De lol zit in het zoeken, niet in het weten. En laat het kind zelf raadsels verzinnen, ook al slaan ze in het begin nergens op: precies daar groeien taal en fantasie samen.

