De wiskunde waar zoveel leerlingen op school op vastlopen, begint eigenlijk op de woonkamervloer: stukjes tellen, snoep verdelen tussen broertjes en zusjes, merken dat dezelfde hoeveelheid op verschillende manieren gerangschikt kan worden. Als die basis via spel wordt opgebouwd, zet het rekenen op papier later alleen symbolen op iets wat het kind al aanvoelt.
Met dobbelstenen, kaarten en munten
- Dobbelrace: elke speler gooit twee dobbelstenen, telt ze op en zet zoveel stapjes op een zelfgetekend bord. Optellen wordt binnen een paar rondes automatisch.
- Kaartenoorlog: iedereen draait een kaart om, het hoogste getal wint de stapel. Hoeveelheden vergelijken in zijn puurste vorm.
- Winkeltje spelen: plak kleine prijskaartjes op voorwerpen, geef echte munten en laat je kind kopen. Wisselgeld teruggeven is aftrekken met betekenis.
- Spaarpot sorteren: gelijke munten op stapeltjes leggen leert groeperen, de kiem van vermenigvuldigen.
Met het lichaam, door het huis
- Hinkelen met sommen: schrijf simpele sommen in de vakjes in plaats van getallen. Je mag hinkelen als je het antwoord weet.
- Schattenjacht met meten: "doe vijf reuzenstappen, dan drie hele kleine." Meet daarna het verschil met een meetlint of je eigen voet.
- Patronen met van alles: blauwe dop, rode dop, blauw, rood, en je kind gaat verder. Patronen herkennen is letterlijk algebraïsch denken.
- De sokkenla sorteren: op kleur, op maat, op eigenaar. Sorteer daarna op een andere manier. Classificeren ligt aan de basis van alle wiskundige ordening.
